Anno augustus 2025 kenmerkt bedrijvigheid en industrie de omgeving tussen de Izegemse Roeselarestraat, Ambachtenstraat en Potaardestraat. Op de gronden die tot enkele decennia geleden nog naarstig door landbouwers werden gecultiveerd, zijn vandaag onder meer een meubelproducent, een interieurmaatwerkbedrijf en een firma gespecialiseerd in houtafwerkingsproducten gevestigd. Hoeve Roelens, een negentiende-eeuws erf langs de Roeselarestraat, bleef als een eenzaam overblijfsel van dit landbouwverleden overeind. Het vroegere woonhuis en het vervallen bakhuisje hielden stand te midden van het oprukkende bedrijventerrein (omslagfoto). De langgerekte L-vormige schuur en stallingen waren echter al in 2015 onder de sloophamer verdwenen en een opmerkelijke bijenstal met strodak had een nieuwe bestemming gekregen in Zwevezele. Ondanks haar historische waarde bleef het erf buiten beeld van erfgoeddeskundigen, toen die eind jaren negentig het bouwkundig erfgoed van de stad Izegem in kaart brachten en inventariseerden. Toen de laatste bewoner en telg van de familie Roelens in 2021 de hoeve verliet, bleef deze bijgevolg achter als een verborgen getuige van een rijk landbouwverleden. Leegstand, onvermijdelijk verval en uitbreidingsplannen van het naburige bedrijf bezegelden eind 2024 het lot van de hoeve. Enkele weken voordat de sloopwerken van start gingen, liet IOED RADAR hun oog vallen op dit opmerkelijke erf. Een fotografische inventarisatie van het woonhuis, bronnenonderzoek en mondelinge geschiedenis brachten een verrassend verhaal aan het licht — over kasteelheren, pachters en boevers — als een vergeten hoofdstuk van het lokale erfgoed.

Eigendomsverhoudingen
Al in de eerste helft van de negentiende eeuw maakte de hoeve deel uit van de beperkte bebouwing op ‘Stroomkes Hoek’, een landelijk gehucht dat toen nog tot het grondgebied van Rumbeke behoorde. Met de aanleg van de A17 (E403) eind jaren 1970 werd het gehucht afgesneden van de rest van de gemeente, waarna het voortaan tot Izegem werd gerekend. Vanaf ongeveer het midden van die eeuw behoorden de hoeve en de omliggende gronden tot het patrimonium van de adellijke familie Gillès de Pélichy. In 1828 trouwde baron Louis Gillès met de Brugse Marie de Pélichy van Huerne, en in 1845 verwierven zij het Izegemse kasteeldomein Blauwhuis. Vanaf dat moment nam niet alleen de invloed van de familie Gillès de Pélichy op het politieke en sociale leven in Izegem gestaag toe, maar ook hun aantal landeigendommen in de regio. Landbouwers die een hoevebedrijf in eigendom bezaten, waren destijds sterk in de minderheid. In 1846 werd 69% van de landbouwbedrijven in het arrondissement Roeselare volledig als pachtbedrijf geëxploiteerd, waarbij 77% van de totale landbouwoppervlakte uit pachtland bestond. Tegen 1895 waren de eigendomsverhoudingen nog verder verschoven in het voordeel van grootgrondbezitters, met 74% pachtbedrijven en 81% pachtland. Sinds de negentiende eeuw waren het dan ook uitsluitend pachtboeren die de hoeve bewoonden. Tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw was het de Izegemse landbouwersfamilie Achiel Deleu (1866-1942) en Emilie Wagnein (1875-1949) die er met hun zes kinderen woonde (fig. 2). In die periode onderging vooral het interieur van het woonhuis een verfraaiende renovatie, dat tot aan de sloop in 2024 nagenoeg onaangeroerd zou blijven. Na de Tweede Wereldoorlog namen pachter André Roelens (1917-2003) en Antoinette Oost (1922-2013) hun intrek in de hoeve. André was oorspronkelijk uit Rumbeke afkomstig en de neef van Emilie Wagnein. Hun zoon Pol zou uiteindelijk de eigendomstitel van de familie Gillès de Pélichy verwerven en als laatste bewoner het landbouwbedrijf van zijn vader voortzetten.

Pachthoeve
Tot de vooruitgang zich over het hoeveterrein meester zou maken, behield het woonhuis haar negentiende-eeuwse uitstraling. De enkele bouwlaag met zeven traveeën onder een zadeldak geeft op een subtiele manier inzicht in de indeling. Een bepleisterde langgevel met siervoegen, zwarte plint, raamluiken en een Maria-nis boven de deur verleent het geheel een sober, streekeigen en landelijk karakter. Rechts is later een garage in betonplaten aangebouwd. Het interieur bestaat uit zeven aaneengesloten vertrekken op het gelijkvloers en een open zolderverdieping. Een eenvoudig afgewerkte inkomhal leidt naar de zoldertrap en biedt toegang tot twee tegenover elkaar gelegen kamers: de leefruimte en de woonkamer. Daarnaast zijn er vier slaapkamers, waaronder één op de voute boven de kelder, en een keuken met traditionele arduinen gootsteen. De gezinsleden sliepen gescheiden in jongens-, meisjes- en ouderkamers. De kleinste slaapkamer was voorbehouden aan de boever, een inwonende knecht die zorg droeg voor het land en het vee. De meeste vertrekken zijn sober afgewerkt, met systeemplafonds, cementtegelvloeren en behang. Onder het afbladderende behangpapier bevinden zich echter in het hele hoevegebouw vermoedelijk negentiende-eeuwse muurschilderingen, die een bescheiden indruk geven van vroegere decoratietechnieken (fig. 6). Afgezien van elektriciteits- en gasvoorzieningen werd ook na de Tweede Wereldoorlog opvallend weinig modern comfort toegevoegd. Mogelijk hield dit verband met het feit dat het erf het grootste deel van zijn bestaan een pachthoeve was. ‘Vader vond het zonde om veel geld te spenderen aan iets wat niet van hem was’, getuigde dochter A. Roelens over haar vader André. Het wassen gebeurde aan de pomp in de keuken. Vanaf de jaren zestig genoot het gezin Roelens van iets meer gerief, met een lavabo in de ouderlijke slaapkamer. Pas midden jaren zeventig bracht een douche in de aangebouwde garage het gezin een tot dan toe ongekende luxe.




Pronkkamer
In schril contrast met het bescheiden en sobere karakter van de meeste vertrekken, staat de opvallend gedecoreerde woonkamer of ‘pronkkamer’. Tot ongeveer midden twintigste eeuw was dit vertrek een statusruimte in landelijke woningen, bedoeld om indruk te maken, niet om doordeweeks in te leven. Ze werd meestal gebruikt om gasten te ontvangen bij speciale gelegenheden zoals een doop, communie of tijdens feestdagen. Eenmaal in de inkomhal bevindt deze kamer zich onmiddellijk rechts, met toegang tot de achterliggende keuken, zodat bezoekers er direct toegang toe hadden zonder door het hele huis te moeten. Ze is onder meer aangekleed met in eikeneffect beschilderde binnendeuren, wandtegels, sierlijsten, een schouw in houtsnijwerk met geschilderd marmereffect, een op maat gemaakte buffetkast en een terrazzo vloer met donkere rand en licht middenstuk. De binnenzijde van de twee ramen waren verfraaid met glas-in-loodwerk, wat vandaag door de familie Roelens is bewaard (fig. 8). Wat echter het meest in het oog springt, zijn de fraaie schilderwerken die de ruimte rondom omhullen met taferelen van (stads)landschappen, vogels en sierlijke bloemmotieven. Deze doeken werden in 1928 vervaardigd door de Rumbeekse kunstschilder Simeon Buyse (1895-1982), naar een signatuur op een van de doeken, wat ook de mogelijkheid biedt om de inrichting van de kamer nauwkeuriger te dateren. Nadien zijn ze als vaste bekleding op de muren gelijmd, over de oudere muurschilderingen waar ook de rest van het woonhuis mee was gedecoreerd (fig. 7, 9 &10).



Absolute blikvanger is een muurbrede schildering van de Brugse binnenstad, met een vertrouwd panorama op het Belfort, de Basiliek van het Heilig Bloed, de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de Peerdenbrug, gezien vanaf de Groenerei (fig. 9). Op het eerste gezicht een opmerkelijke afbeeldingskeuze – een Brugs stadszicht in een Rumbeekse (later Izegemse) hoeve – maar verklaarbaar in het licht van de eigendomsgeschiedenis. De familie de Pélichy had immers sterke en eeuwenoude banden met Brugge, zowel persoonlijk, politiek als cultureel. Het is daarom aannemelijk dat de Gillès de Pélichy’s, als eigenaars van de hoeve, de verfraaiing van de kamer hebben bekostigd en zo hun eigendomsstempel op de belangrijkste ruimte van het erf hebben gedrukt. De andere landschapszichten zijn vooralsnog niet gelokaliseerd, maar ook dit kunnen landgoederen van de adellijke familie voorstellen. De kleinere, gedetailleerde bloem- en vogelmotieven vormen een subtiele aanvulling en creëren een intieme, harmonieuze sfeer. Of de familie Deleu, de pachters ten tijde van de verfraaiingswerken, inspraak had in de keuze van de decoratie, is niet bekend. Vast staat wel dat de pachtboeren en hun gasten, in het meest huiselijke en vooraanstaande vertrek van het erf, voortdurend werden herinnerd aan hun verbondenheid met de familie De Pélichy. De kamer vervulde daarom niet alleen een esthetische functie, maar draagt ook een duidelijke symbolische betekenis die de toenmalige sociale hiërarchie op het platteland illustreert. ‘Na de jacht of een slachting gaf mijn vader altijd een stuk vlees aan de de Pélichy’s, als een ongeschreven regel, een teken van beleefdheid’, getuigde A. Roelens in deze context over haar vader en diens relatie met de adellijke familie.


Zusterhoeve?
Hoewel deze Izegemse hoeve, met haar ‘pronkkamer’, een opmerkelijke verschijning is, was zij in de streek niet de enige in haar soort. Pachter André Roelens groeide op in Rumbeke als derde zoon van Charles Louis Roelens (1878-1941) en Flavie Wagnein (1880-1966), in een hoeve die opmerkelijke gelijkenissen vertoonde. Dit vroegere erf Kinders Roelens, gelegen op het kruispunt van de Oude Maria’s-Lindestraat en de Moorseelsesteenweg, bestaat vandaag nog, al verdween het oorspronkelijke interieur van het woonhuis begin jaren 2000 door ingrijpende renovaties. Kort daarvoor legden nakomelingen van de familie het volledige erf op beeld vast, waardoor er voor deze studie waardevol visueel bronnenmateriaal beschikbaar is. Het negentiende-eeuwse woonhuis met typerende langgevel en één bouwlaag had een gelijkaardige indeling, waarbij vooral de eind jaren 1920 ingerichte woonkamer als evenbeeld fungeerde (fig. 11). Ook hier vormden een decoratieve schouw met op maat gemaakte buffetkast, geometrisch betegelde muren en muurschilderingen met natuurtaferelen en statige landgoederen het pronkstuk van de woning. Uit een analyse van de afgebeelde bouwwerken blijkt opnieuw een duidelijke link met de eigendomsstructuren. De Roeselaarse schilder Lodewijk (Louis) Nuyttens (1904-1978) vereeuwigde onder meer het nabijgelegen Kaasterkasteel en het in 1940 door brand verwoeste kasteel Hemsrode in Anzegem, beide eigendom van de adellijke familie de Limburg Stirum, die ook deze hoeve en de omliggende landerijen bezat (fig. 12). Op een gelijkaardige en zelfs nog iets directere manier als in Izegem, is ook hier de woonkamer een samenspel van decoratieve elementen en een symbolische afspiegeling van de onderliggende sociale dynamiek tussen kasteelheer en pachtboer.


Verborgen erfgoed
Het verhaal van de hoeve(s) Roelens illustreert hoe een erf kan fungeren als materiële getuige van de sociale, economische en culturele verhoudingen op het platteland in de negentiende en twintigste eeuw. De architectuur en interieurafwerking, met name de uitzonderlijke woonkamers, onthullen niet alleen de wooncultuur van pachtboeren, maar ook de subtiele manieren waarop adellijke eigenaars hun aanwezigheid en status tot uiting brachten. De inventarisatie door IOED RADAR benadrukt het belang van waakzaamheid ten aanzien van onroerend erfgoed, zelfs wanneer dit buiten officiële registraties valt. Het documenteren van dergelijke sites verrijkt niet alleen de kennisbasis, maar maakt ook duidelijk dat onroerend erfgoed verder reikt dan louter stenen en muren. Bovendien toont het de duidelijke kruisbestuiving tussen onroerend en cultureel erfgoed aan, waardoor het referentiekader voor een gedegen lokaal erfgoedbeleid wordt versterkt.
Bibliografie
Goedseels, Vic, en Luc Vanhaute. Hoeven op land gebouwd: een verhaal van boerderijen, landschappen en mensen. Lannoo, 1983.
Lermyte, Jean-Marie. Boeren in landelijk Izegem, Emelgem en Kachtem. Kortrijk, 2006.
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Monumenten en Landschappen. Provincie West-Vlaandern: Arrondissement Roeselare; Kantons Hooglede - Izegem - Lichtervelde. Vol. 17n2. Bouwen door de eeuwen heen : inventaris van het cultuurbezit in België. Brepols, 2001.
Roelens, A. ‘Dochter van André Roelens’, geïnterviewd door Jelle Angillis, 2 september 2024.
Vanhoutte, Eric. ‘Eigendomsverhoudingen in de Belgische en Vlaamse landbouw tijdens de 18de en de 19de eeuw’. Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis 24, nr. 1-2 (1993): 185-226.

